terug

De schreeuw om landschappelijke kwaliteitsregels in zonneparken

‘Er is een uitverkoop van het Nederlandse landschap’, zegt Jaap Dirkmaat van de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap (VNC). Lokale overheden hebben onvoldoende visie en sturing op de plaatsing van zonneparken. Het is makkelijker en goedkoper om in nieuw gras- en maisveld zonneparken te bouwen dan op daken. Dit moet veranderen. 

De gesprekspartner van Jaap Dirkmaat is Sander Veltmaat, omgevingsmanager duurzame -solar- energie bij Zebra. Samen zijn zij betrokken bij het zonnepark Berg en Dal. Dit park beslaat 100 hectare grond waarbij mogelijk ongeveer 86.000 megawattuur (MWh) per jaar wordt verkregen – indien het park gerealiseerd wordt. Beide mannen zijn voorvechter van het inbrengen van landschappelijke kwaliteit. 

Door het Klimaatakkoord zijn gemeenten hard bezig om de doelstellingen die voortvloeien uit de Regionale Energiestrategie (RES) – reductie van CO₂ – te halen. Deze doelstellingen worden ruimtelijk vertaald naar locaties waar in dit geval zonneparken mogelijk zijn. In het Klimaatakkoord zijn vier ruimtelijke principes opgenomen. ‘Aansluiten bij gebiedspecifieke kenmerken’ is daar een van. De plaatsing van het zonnepark moet ingebed worden in de uniciteit van het gebied. En meer dan dat. 


Professional in de openbare ruimte? Dan lees je Stadswerk Magazine!


Door de komst van een zonnepark moet de landschappelijke kwaliteit versterkt worden. Deze kwaliteit kan niet los gezien worden van de cultuurhistorische waarde, de belevingswaarde (bruikbaarheid en toegankelijkheid ten behoeve van de leefomgeving) en de ecologische waarde. Veltmaat geeft aan dat er helaas veel slechte voorbeelden zijn van hoe zonneparken worden neergezet. Hij spreekt van ‘schaamgroen’: een klein groen randje om zonnepanelen heen. En dat is het dan. 

Scheve verhouding 

De verhouding landschap versus paneel is veelal 30 procent versus 70 procent. Vaak wordt dit door omwonenden, en zeker ook door de VNC, als een scheve verhouding gezien. ‘Wanneer je één element (een paneel) toevoegt aan de omgeving, moet je daar ook één element landschap aan toevoegen’, stelt Dirkmaat. ‘Onze ratio die wij hanteren als wij meedenken in een project is: 50 procent paneel betekent 50 procent versterking van landschappelijke kwaliteit.’ 

Voor het project Berg en Dal betekent dit 100 hectare grond, waarvan 50 hectare voor natuur en de overige 50 hectare voor panelen bestemd is. Dat impliceert dus ook een ander verdienmodel voor de initiatiefnemers. De VNC ziet naast deze verhoudingen nog een voorwaarde om medewerking te verlenen aan het project Berg en Dal. ‘We willen door plaatsing van de zonneparken niet alleen een verbetering in de kwaliteit van het landschap zien, maar we willen vooral ook uitstervende soorten, bijvoorbeeld bijzondere akkerplanten, weer de ruimte geven in het landschap’, stelt Dirkmaat. 

Foto: Pixabay

De VNC-directeur is zeer uitgesproken over de verbrokkeling van het landschap. ‘Er staat een grote druk op de ruimte. Er moeten onder andere woningen worden gebouwd, landbouw moet worden bedreven, stikstof gereduceerd, natuurgebieden gehandhaafd en daarbij komt ook nog de realisatie van de energietransitie.’ Volgens de VNC zijn er 100.000 hectare aan enkel zonneweiden nodig om de doelstelling te halen. Hoe moet dit? We weten nog zo weinig van de plaatsing en de impact van zonneweiden op de bodem. ‘We werken nu met aannames’, zegt Dirkmaat. ‘Wageningen University & Research doet nu weliswaar gericht onderzoek maar er is nog veel onbekend. Hoe houden we de bodem leefbaar tijdens de looptijd van de zonnepanelen? Hoe monitoren we de bodem? Welke opstelling van de panelen is het best?’  

Lessen tot nu toe 

Er is volgens Veltmaat en Dirkmaat een aantal lessen te trekken uit de nog jonge geschiedenis van de plaatsing van zonne- panelen. Die werken we hieronder uit. 

  • Regie en dictaat is nodig van het Rijk 
    • Het Rijk moet sturend optreden en bindende algemene kaders geven voor de plaatsing van zonneparken. Dirkmaat denkt, zoals eerder gesteld, daarbij aan een verhouding van 50 procent landschap en 50 procent paneel. Daarnaast hanteren gemeenten verschillende kaders. Zo kunnen in één gemeente per zonnepark verschillende kaders gelden.
    • Daarbij is er teveel ‘afgezwakt beleid’ in gemeenten, volgens Dirkmaat. De hogere overheid neemt een ferm besluit met betrekking tot CO₂- reductie conform het Parijs-akkoord. Als dit tot daadwerkelijke uitvoering aankomt in een gemeente wordt dit beleid – zeker met de verkiezingen in aantocht – vaak afgezwakt. Het is zelfs zo dat sommige kandidaat-gemeenteraadsleden in hun campagne het tegenhouden van de komst van het zonnepark beloven als zij verkozen worden. 
    • Er moet een integrale aanpak voor gebiedsontwikkeling komen. Veltmaat geeft aan dat de druk op de openbare en bebouwde ruimte groot is. Wie bewaakt de algemene samenhang van de belangen van omwonenden, boeren, bedrijven en doelstellingen samen? Wie coördineert en reguleert de integraliteit van al de genomen maatregelen om CO₂ te reduceren? De integraliteit moet gewaarborgd worden. 
  • Meer kennisvergroting over de toepassingen effecten van zonneparken op de bodem 

Gemiddeld is de plaatsingsduur van een zonnepark 25 jaar. We weten nog te weinig over de gevolgen voor bodemkwaliteit tijdens de plaatsing van de zonnepanelen. Er wordt wel sporadisch geteeld, hortensia’s en frambozen bijvoorbeeld, maar vanwege de schaderisico’s wordt de wilde fauna buitengesloten door een hermetisch gesloten hekwerk. Hoe houden we de bodem in leven en geschikt voor de landbouw? Hoe garanderen we multifunctioneel grondgebruik zoals het telen van gewassen onder de panelen? De natuurkwaliteit die om het park is aangebracht, moet worden gemonitord; hoe gaan we dit doen? Hoe zal die situatie zijn als het zonnepark verdwijnt? Hoe wordt dan het voortbestaan van de natuur gegarandeerd? Dirkmaat hoopt dat er dan ook subsidiemogelijkheden zijn en voldoende draagvlak in de streek om natuurbehoud na te streven. 

  • Doorloop een zorgvuldig proces met omwonenden 

Als omgevingsmanager is Veltmaat betrokken bij het betrekken en informeren van omwonenden bij het zonnepark Berg en Dal. ‘De omwonenden snappen heus wel dat er iets moet gebeuren op het gebied van klimaat.’ Zoals gebruikelijk heeft hij eerst alle meningen, wensen en eisen opgehaald bij direct omwonenden. ‘Mensen serieus en goed meenemen in het hele proces is belangrijk. Deel alle informatie op het juiste tijdstip. Nu gaan we over tot visualisatie van de panelen in het landschap en om weer de meningen hierover te horen van omwonenden. Het is een iteratief proces (stapsgewijs, door met en van elkaar te leren komen tot betere inzichten, red.)’, benadrukt de omgevingsmanager. 

Tenslotte: nog een weg te gaan 

Niemand wil zomaar geconfronteerd worden met panelen in zijn achtertuin of omgeving. ‘Toch is er een omwonende geweest’, zo vertelt Veltmaat, ‘die aan mij schreef over “JIMBY”: Juist wél in my backyard – in tegenstelling tot NIMBY, “not in my backyard” – waarmee ze de urgentie om mee te werken aan het zonnepark uitdrukte. Er is nog een weg te gaan om maatregelen af te dwingen om de landschappelijke kwaliteit te versterken en uitstervende soorten terug te brengen bij de plaatsing van zonneweiden. Wellicht is de vuistregel “50 procent landschappelijke versterking op 50 procent panelen” een eerste begin.’ 

Van onze partner, Stadswerk Magazine (nummer 8, 2021). Tekst: Nathalie Vrancken, De Externe Voorzitter


Bekijk ook deze items